CATHAY

 

Vertalingen door Ezra Pound

 

 

 

Grotendeels uit het werk van Rihaku, uit het Chinees, gebaseerd op de aantekeningen

van wijlen Ernest Fenollosa, en op de ontcijferingen van professor Mori

en professor Agira

 

 

 

Vertaald naar het Nederlands door Wil Hou, De Bleke Chinees.


 

1915,
Rihaku floreerde in de 8e eeuw.
De andere gedichten zijn ouder.

 

 

 


Het Lied van de Schutters van Shu

 

Hier zijn we dan, we plukken de eerste varenspruiten

En zeggen: wanneer mogen we eindelijk terug naar huis?

We zijn hier, om met de Ken-nin strijd te leveren,

Ons leven wordt door de Mongolen verpest.

We vreten zachte varenspruiten,

Als het woord ‘terugtocht’ valt dan worden we door weemoed overvallen.

Weemoedige gedachten, weemoed is machtig, we hebben honger en dorst.

Onze linie is nog onverdedigd, niemand laat de ander gaan.

We vreten oude varenstengels.

We zeggen: Mogen we in oktober terug naar huis?

Keizerlijke politiek kent geen genade en ons leven is zwaar.

Onze weemoed is diep, maar er is geen sprake van vertrek.

Welke bloemen gaan bloeien?

Wiens strijdwagen is dat? Die van de generaal.

De paarden zijn moe, zelfs de zijne. Ze waren sterk.

Met drie veldslagen per maand is er geen tijd om bij te komen.

Hemel, wat zijn zijn paarden moe.

De generaals zitten op ze, de soldaten staan naast ze.

De uitstekend gedresseerde paarden, de generaals met hun ivoren pijlen en hun

pijlenhouders met vissenhuid versierd.

De vijand is snel, we moeten waakzaam zijn.

Toen we vertrokken hingen de wilgen vol met voorjaar,

Nu marcheren we door de sneeuw.

Langzaam trekken we verder, hebben honger en dorst.

Onze gedachten zijn met weemoed gevuld, niemand heeft weet van ons lijden.

 

Kutsugen

4e eeuw voor Chr.

 

 


Wonderschone Opmaak

 

Blauw is het blauwe gras bij de rivier

De wilgen overgroeien de binnentuin.

Daarbinnen, de vrouw des huizes, in het beste deel van haar jeugd,

Wit is haar witte gezicht, ze twijfelt, ze komt door de deur.

Rank, de hand die ze uitsteekt is rank,

 

Ze was vroeger een courtisane,

Ze trouwde een idioot,

Nu gaat hij dronken op pad,

En laat haar te veel alleen.

 

Mei Sheng

140 voor Chr.

 

 


Het Rivierenlied

 

De boot van Shatohout, het schampdek gesneden magnolia,

Muzikanten met bling bling blazers en fluiten van goud

Vullen in rotten de banken, en onze wijn

Er is genoeg om duizend bekers te vullen.

We hebben zangeresjes aan boord, dwalen mee met het dwalende water,

Maar Sennin heeft behoefte

Aan een gele ooievaar als strijdros, en al onze matrozen

Achtervolgen de witte meeuwen, en vliegen met ze mee

Kutsu’s vrije lied

Vindt haar plek tussen de zon en de maan.

 

Het bergpaleis van Koning So

Is nu een kale heuvel,

Maar ik penteken op dit schip

Breng de vijf bergtoppen aan het wankelen,

Ik vind plezier in deze woorden

Het plezier van blauwe eilanden.

(Als succes eeuwig kon duren

Dan zou het water van Han noordwaarts stromen.)

En ik heb rondgehangen in de tuin van de keizer, wachtend op een

opdracht-tot-schrijven!

Bestudeerde het drakenmeer, het wilgenkleurige water

Reflecteerde slechts de gloed van de lucht.

De 10-kwadraat nachtengalen zongen doelloos hun lied.

 

De oostenwind geeft de eilandgrassen van Yei-Shu een groene kleur,

Het paarse huis en het karmijnrood zijn lentezacht.

Halfblauw en blauwer zijn de wilgentakken zuid van het meer,

Hun draden deinen in mist, raken het brokaten paleis.

Van de besneden leuningen vallen wijnranken dertig meter diep,

En hoog boven de wilgen, zingen de kleine vogels naar elkaar, luister,

Ze roepen tegen de eerste wind  – “Kwan, Kuan,” omdat het zo hoort.

De wind balt zichzelf samen tot een blauwige wolk en vliegt weg.

Bij duizend poorten, bij duizend deuren weerklinkt lentegezang,

De keizer is in Ko.

Vijf wolken hangen helder tegen de paarse lucht.

De keizerlijke garde komt uit het gouden huis, met hun pantsers op-glinster.

De keizer gaat op weg in zijn praalkoets, om zijn bloemenperken te bezien,

Om het fladderen van de ooievaars in Hori te bekijken,

En keert terug via de rots van Sei, om de nieuwe nachtegalen te horen,

Het kakelt ervan in de tuinen van Jo-run,

Hun geluid zit gevlochten in deze blazer,

Hun stem zit in deze twaalf fluiten hier.

 

Rihaku

7e eeuw voor Chr.


De Vrouw van de Schipper: een Brief

 

Mijn haar was nog recht over mijn voorhoofd geknipt

Ik speelde bij de voordeur, trok bloemen uit de grond,

Jij kwam voorbij op stelten van bamboe, speelde paard,

Je draalde om me heen, speelde met blauwe pruimen.

En zo leefden wij in het dorp Chokan:

Twee mensjes zonder afgunst en zonder achterdocht.

 

Toen ik veertien was O Heer trouwde ik jou.

Lachen deed ik niet, verlegen als ik was.

Mijn hoofd hield ik naar beneden, kijkend naar de muur.

Duizend maal ben ik nageroepen, omgekeken heb ik nooit.

 

Toen ik vijftien was stopte ik met fronsen,

Verlangde ernaar om jouw stof te vermengen met het mijne

Voor altijd en voor altijd en voor altijd.

Waarom zou ik de uitkijk beklimmen?

 

Toen ik zestien was vertrok je,

Naar Ku-yo-Yen, bij de rivier met de draaikolken, heel ver weg,

Vijf maanden ben je nu daar.

De apen boven me maken een somber lawaai.

Sloffend vertrok je.

Het mos bij de poort, dat mos is blijven groeien,

Veel te veel om nu nog te snoeien!

De bladeren vallen vroeg deze herfst, het waait.

Ze zijn al augustusgeel, de vlinderpaartjes  

In het gras bij de westelijke tuin,

Ze doen me pijn,

Ik word ouder,

Als je via de smalle kant van de rivier Kiang komt,

Laat me dat dan van te voren weten,

Dan kom ik je tegemoet,

            Naar Cho-fu-Sa, niet verder.

 

 

Rihaku

 


Juwelentrappen Smart

 

De dauw heeft de juwelen treden al redelijk wit gemaakt,

De dauw doorweekt mijn gazen kousen, het is al zo laat,

Ik laat de kristallen vitrages vallen

Ik bekijk de helder herfstige maan.

 

Rihaku

 

 

Opmerking: Juwelen trappen dus een paleis, smart, dus er is iets om over te klagen. Gazen kousen dus het is een hofdame die klaagt, niet de huishouding. Helder herfst, hij kan niet zeggen dat het door het weer kwam. Ze was er al vroeg want de dauwdruppels hadden niet alleen de stappen witgemaakt maar haar sokken doordrenkt. Dit gedicht wordt vooral geprezen omdat ze geen afkeer uitspreekt.

 

 


Gedicht bij de Brug van Ten-Shin

 

Maart staat paraat voor het bruggenhoofd,

Perzik- en abrikozentakken hangen boven duizend poorten,

’s Ochtends zijn er bloemen waaraan je hart zich snijdt,

’s Avonds waait de wind ze naar het oostelijk stromende water.

Bloemblaadjes liggen op vertrekkende en reeds vertrokken wateren,

            Op kolkende watervallen.    

Maar de mannen zijn niet meer wat ze ooit zijn geweest,

Al buigen ze zich nog net als vroeger over de leuning van de brug.

 

De kleuren van de zee bewegen mee met zonsopgang

In de nabijheid van de troon, staan de prinsen in gelid,

De maan daalt boven de hal van Sei-go-yo,

Klampt zich vast aan de muren en het dak van de poort.

Terwijl hun hoofdbanden schitteren, tegen de wolken en de zon,

Trekt de adel van hun paleizen naar verre gewesten weg.

Ze rijden op draakachtige paarden,

Op paarden met oogkappen van geel metaal,

De straten maken plaats voor hun doorkomst.

                        Schielijk komen zij voorbij,

Schielijk is hun pas op weg naar het groot festijn,

Naar hoge zalen en opvallende gerechten,

Naar parfum in de lucht en meisjes die dansen,

Naar zuiver gefluit en zuiver gezang;

Naar het zeventig-stellen bal;

Naar de achtervolgingsscènes in de hof.

Dag en nacht is het feest

En ze denken dat het duizenden herfsten zal duren,

            Herfsten zonder zorgen.

Tegen hen janken de gele honden hun voorbedes voor niets,

Maar wat stelt het voor in vergelijking met jonkvrouw Riokushu,

            Toen was er afgunst!!

Wie temidden van hen is mans als Han-rei

            Die met zijn minnares vetrok,

Haar haar hing los, en hij roeide zelf!

 

Rihaku

 

 


Klaagzang van de Grenswachter

 

De wind waait het zand op bij de Noord Poort,

In eeuwigdurende eenzaamheid!

Bomen vallen, het gras wordt herfstgeel.

Ik beklim torens en torens

            Hou wacht over barbaarse territoriums:

Verlaten kasteel, lucht, brede woestijn.

Geen muur staat in dit dorp meer overeind.

Botten wit met duizend nachten vorst,

Hoge stapels overwoekerd met bomen en gras;

Wie heeft dit tot stand gebracht?

Wie haalde zich de keizerlijke woede op de hals?

Wie haalde zich het leger met trommels en drums op de hals?

De koningen van de barbaren.

Een lieflijke lente werd een bloedrode herfst,

Verdriet, het regende verdriet.

Verdriet gaat, en verdriet, terugkerend verdriet,

Verlaten, de velden verlaten,

En de kinderen van de oorlog zijn nergens te zien,

            Er is niemand meer over om te verdedigen of om aan te vallen.

Oh, hoe zul jij ooit weten van het vreselijke leed dat zich afspeelde bij de Noord-

Poort,

Nu Rihoku is vergeten,

En wij grenswachten aan de tijgers zijn gevoerd.

 

Rihaku

 

 


Brief van een Banneling

 

Aan mijn oude vriend So-Kin, te Rakuyo, hoofdbestuurder van Gen.

Ik herinner me dat je een café liet bouwen

Bij Ten-Shin, aan de zuidkant van de brug.

Waar we met geel goud en witte juwelen betaalden voor gezang en gelach

En waar we de koningen en prinsen konden vergeten, waar we maandenlang

 dronken waren.

Allerlei lieden, met verstand ook, zwierven in onze richting, via zee en de

westelijke gebieden,

Met hen, maar vooral samen met jou,

Was alles ok,

Zeeën bevoer men, bergen beklom men,

Alles, als men zich maar bij ons kon voegen,

Openlijk bespraken we onze gedachten en onze gevoelens, zonder ons in te

 houden.

 

En toen ben ik naar Zuidelijk Wei gezonden,

            Overgeleverd aan laurierbossen,

En jij naar het noorden, naar Raku-hoku, daarboven nog

Net zolang tot we alleen onze gedachten en herinneringen nog deelden.

 

En toen, toen ons afscheid ondragelijk werd,

Toen zagen we elkaar weer, gingen naar Sen-Go,

Volgden de zesendertig versmallingen van het draaiende en kolkende water,

Gingen door een valei waar duizend bloemen straalden,

Dat was de eerste vallei;

Daarna volgden er tienduizend meer, valleien gevuld met stemmen en

dennenwind.

Met zilver tuig en teugels van goud,

Kwam de commandant van de oostelijke Kan met zijn troepen tevoorschijn.

En daar kwam ook het “echte mens” uit Shi-yo mij ontmoeten,

Spelend op een ingelegde mondharmonica.

In de hoge huizen van San-Ko, kregen we nog meer Jennin muziek te horen,

De instrumenten weerklonken als een feniksennest.

De commandant van Kan Chu, dronk, en danste, want zijn lange mouwen bleven

niet stil hangen

Met al dat gemusiceer.

En in brokaat gewikkeld, viel ik op slaap met mijn hoofd op zijn schoot,

En ik was buiten zinnen van vreugde,

En voor de dag voorbij was waren we verspreid als sterren, of als regen.

Ik moest naar So, over het water, een lange weg,

Jij moest terug naar je rivier en je brug.

 

En je vader, dapper als een luipaard,

Bestuurde Hei Shu, waar hij baas werd over dat wetteloze tuig.

Het was mei toen hij jou mij deed overkomen,

            ongeacht de afstand.

Ik kan niet zeggen dat de reis eenvoudig was, met al die gebroken wielen en

ander ongemak,

Over wegen die kronkelden als de ingewanden van schapen.

Laat in het jaar was ik nog onderweg,

            door de snijdende noordenwind,

En ik dacht eraan hoe weinig de kosten je deerden,

            En hoe vanzelfsprekend je die betaalde.

En wat een ontvangst:

Bekers van rode jade, eten wondermooi uitgestald, op de blauw juwelen tafel,

En ik was dronken, vergat de terugtocht.

En je liep met me mee naar het westelijke deel van het kasteel,

Naar de tempel van de dynastie, het water eromheen helder als blauwe jade,

Boten dreven, het geluid van mondharmonica’s en trommels,

Het water rimpelde als drakenhuid, wegdrijvend groen gras,

Het plezier duurde voort, courtisanes, ze kwamen en gingen, niemand maakte

bezwaar,

De wilgenpluizen vielen als sneeuw,

De felrood geschminkte meisjes, ze werden dronken bij zonsondergang,

En het tientallen meters diepe water reflecteerde groene wenkbrauwen

– Groen geverfde wenkbrauwen in het maanlicht zijn een bijzondere attractie,

Goed aangebracht –

En de meisjes zongen voor elkaar,

Dansend in doorzichtig brokaat,

De wind tilde het lied op, onderbrak het,

Gooide het op onder de wolken.

            En dit alles komt aan haar einde.

            En nooit zal het nog worden zoals toen.

Ik ging naar het hof voor mijn examen,

Probeerde het met het geluk van Layu, probeerde het met het lied van Choyo,

Maar zakte,

            Met een wit hoofd ging ik terug naar de oostelijke bergen.

Later nog, later zagen we elkaar nogmaals op het zuidelijk bruggenhoofd.

En toen onze wegens zich weer scheiden, ging je naar het noorden naar het

paleis van San,

En als je me nu vraagt hoe ons afscheid me spijt:

            Het is als vallende bloesem aan het einde van de lente,

            In verwarring, hopeloos in de knoop.

Wat heb je aan praten, het praten gaat maar door,

Het is zo eindeloos als het hart.

 

Ik laat de bediende komen,

Gebied hem om knielend

            Dit te verzegelen,

Duizend kilometer stuur ik het weg, peinzend.

 

Rihaku

 

 

 

Vier afscheidsgedichten

 

Door Rihaku

 

Zachte regendruppels op zachte stof.

De wilgen in de herbergtuin

Zullen groener en groener worden

Maar u, geachte heer, drinkt beter nog wat wijn voor u vertrekt,

Want u zult geen vriendschap kennen

Wanneer u aankomst bij de poorten van Go.

 

Afscheid op de Rivier Kiang

 

Ko-jin gaat west bij Ko-kaku-ro,

De rookbloemen wasemen boven de rivier.

Zijn eenzame zeil bevlekt de verre lucht.

Nu zie ik niets dan de rivier,

            De lange Kiang, de hemel rakend.

 

 

Afscheid van een Vriend

 

Blauwe bergen noord van de muur,

Witte rivieren kronkelen erom heen;

We moeten afscheid nemen

Duizend kilometer dood gras gaan passeren.

Wees als een drijvende witte wolk.

Een zonsondergang als het afscheid van oude bekenden

Van veraf buigend over samengevouwen handen.

Onze paarden hinniken naar elkaar

            als onze wegen zich scheiden.


Een Vaarwel Nabij Shoku

 

Sanso, de Koning van Shoku, legde wegen aan”

 

Er wordt gezegd dat de wegen bij Samso stijl zijn,

Kaal als de bergen.

De muren reizen op voor je gezicht,

Wolken groeien uit de heuvel

             Op de teugels van je paard.

De sierlijke bomen langs de bestrate paden van Shin,

Hun wortels breken het wegdek open,

Zoetwaterstromen ontdoen zich van hun ijs,

            In het centrum van Shoku, wat een stad.

 

Het menselijk lot is reeds bezegeld,

Bespaar jezelf de moeite om naar een waarzegger te gaan.

 

 

De Stad Choan

 

De feniksen spelen op hun veldje.

De feniksen zijn weg, de rivier stroomt eenzaam verder.

Bloemen en gras

Bedekken het donkere pad naar het huis van de dynastie van Go.

De felle kleren, de felle mutsen van Shin

Zijn nu de fundamenten van oude heuvels.

 

De Drie Bergen splijten de verre hemel.

Het eiland van de Witte Reiger breekt de twee beken.

Opeens bedekken hoge wolken de zon

En Choan is uit zicht

En ik ben teneergeslagen.

 

 


Zuiderlingen in Koude Kontrijen

 

Het Dai paard hinnikt in de gure wind van Etsu,

De vogels van Etsu geven niets om En, in het noorden,

Emotie komt voort uit gewoonte.

Gister gingen we door de Wilde Ganzen poort

Vandaag via de Drakenkooi (1).

Verrast. Woestijn woestenij. Zee zon.

Vliegende sneeuw bespookt de barbaarse hemel.

Op onze uitrustingen krioelen de luizen als mieren.

Zweet en tranen voeren de gevederde banieren aan.

Zware gevechten brengen geen succes.

Loyaliteit is moeilijk te verklaren.

Wie heeft er medelijden met generaal Kishogu,

            de voortvarende

Wiens talent aan deze provincie voorbij ging?

 

 

(1) Met andere woorden, we hebben oorlog gevoerd in alle uiteindes van het rijk, dan weer in het oosten, dan weer in het westen, aan elke grens.

 


 

Nawoord

 

In 1915 publiceerde Ezra Pound in eigen beheer Cathay, een bundel met elf vertalingen van Chinese gedichten aangevuld met een gemoderniseerde versie van het Oud Engelse The Seafarer. Het is toepasselijk dat Cathay de naam is die Marco Polo aan China gaf. Toepasselijk omdat Polo in alle waarschijnlijkheid nooit in China is geweest en Pound geen woord Chinees kende. Zijn vertalingen zijn dan ook niet zozeer vertalingen als wel bewerkingen van aantekeningen uit de nalatenschap van de Amerikaanse oriëntalist Ernest Fenollosa, die op zijn beurt ook geen Chinees sprak maar zijn letterlijke vertalingen baseerde op Japanse vertalingen. Normaal gesproken zou je verwachten dat het resultaat van zo’n taalkundige paardensprong tot mislukken gedoemd is, maar, om Pound zelf te parafraseren, met Cathay bouwde hij zijn droom over de wereld.. Niet alleen vond hij met Cathay de Chinese poëzie uit voor het Westen, zoals T.S. Elliot beweerde, hij deed dat ook met een doeltreffendheid die zelden overtroffen is door latere vertalers met betere papieren. Pound met zijn dichtersinstinct slaagde erin om uit de losse eindjes die hij tot zijn beschikking had de bedoelingen van eeuwenoude Chinese dichters te herkennen en te laten weerklinken in een welluidend Engels dat recht deed aan de geest van het origineel. Dat is tenminste het oordeel van verschillende critici uit zowel literaire als sinologische hoek, en wie ben ik om dat tegen te spreken? Als Poëzie doet Cathay wat Poëzie hoort te doen: de woorden nemen langzaam bezit van je, nestelen zich in je geheugen, klaar om op de meest ongepaste momenten zichzelf te presenteren; het is de kracht van de diepgelegen ritmes die Pound in zin beste zinnen weet te leggen. Maar zoals wel vaker bij Pound gaan genialiteit en potsierlijkheid hand in hand, met als beroemdste voorbeeld dat gedicht, zoek zelf maar uit welke, waarin Pound twee gedichten samenvoegt tot één gedicht. Het voegt alleen maar toe aan de idiosyncratische charme van het gotische spookkasteel Cathay.

 

Het belangrijke register van Chinese poëzie, rijm, is onvertaalbaar, terwijl de Chinese taal zelf, hoe helder en concreet ook in het origineel, in de vertaalslag naar een Westerse taal veel overlaat aan de verbeelding van de vertaler. Wie slechts één versie van een Chinees gedicht leest plaatst zichzelf in de positie van punt in platland, een lezer die een werkelijk een begin wil maken met de kennismaking van een poëzie zo oud als de Chinese, zonder Chinees te willen leren, zou tenminste, zeg, vijf versies van één gedicht moeten lezen ter vergelijking. De verschillen zijn vaak, enorm, informatief. Vertalen is als het volgen van het onnavolgbare plattegrond, soms snij je af, soms maak je een extra omweg, soms hoop je op het beste, soms accepteer je de nederlaag, alles in de hoop op een goede aankomst.


Elke generatie moest zelf zijn klassieken vertalen, om T.S. Elliot aan te halen, maar de Seafarer, bedoeld om de achterlijkheid van het Europa van de 7e eeuw te contrasteren met de verfijning van de Chinese cultuur in die tijd, laat ik graag met rust.

 

Voor een PDF van de eerste uitgave van Cathay zie:  http://www.archive.org/details/cathayezrapound00pounrich